Waarschuwingsplicht bij meerwerk afgezwakt

dinsdag 19 juli 2022

Inleiding
Een belangrijke vraag binnen het bouwrecht is wanneer de kosten voor meerwerk door de aannemer in rekening mogen worden gebracht bij de opdrachtgever. De Hoge Raad heeft op 1 juli 2022 daarover een belangrijk arrest gewezen. Het arrest zwakt de waarschuwingsplicht van de aannemer voor meerwerk af. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat het voor het toekennen van meerwerk niet noodzakelijk is dat de opdrachtgever een (reëel) inzicht heeft in de omvang van de prijsverhoging dan wel in de (concreet) te verwachten meerkosten.

De wet en de UAV
Indien de opdrachtgever een toevoeging of verandering wenst aan te brengen in het overeengekomen werk leidt dat veelal tot extra kosten in de vorm van duurdere of meer materialen en de besteding van meer uren. Die kosten mogen niet zomaar door de aannemer bij de opdrachtgever in rekening worden gebracht. Ter bescherming van de opdrachtgever staat in de wet (artikel 7: 755 BW) daarom het volgende opgenomen:
“In geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Van deze bepaling niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6”.
Omdat van voornoemd wetsartikel niet mag worden afgeweken, staat in § 36 UAV 2012 een vergelijkbare bepaling.

Discussie tijdens het bouwproces
Tijdens het bouwproces worden door de opdrachtgever vaak wijzigingen aan de aannemer doorgegeven. In de drukte van alle dag schiet een schriftelijke bevestiging van het meerwerk en de prijs voor dat meerwerk er wel eens bij in. Dat leidt dan tot discussies of er überhaupt wel sprake is van meerwerk en wat de prijs voor dat meerwerk zou mogen zijn. In de wet staat opgenomen dat de aannemer de opdrachtgever moet wijzen op een prijsverhoging. Dat hoeft niet als de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging zelf had kunnen begrijpen. Zie daartoe de onderstreepte zinsnede in artikel 7: 755 BW: “(…) tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.”

Feiten casus
Over de hierboven bedoelde uitzondering heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen.
In de zaak heeft de opdrachtgever opdracht gegeven om een aantal raatliggers te leveren. De eerste vraag was of de levering van ‘kale’ of afgewerkte raatliggers overeen was gekomen. De rechter oordeelde dat er was afgesproken dat er ‘kale’ raatliggers zouden worden geleverd voor € 9.000,- en dat de werkzaamheden om tot afgewerkte raadliggers te komen niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen. Eén van de argumenten daarvoor was dat de opdrachtgever pas na het tot stand komen van de overeenkomst allerlei nadere eisen aan het vervaardigen van de raadliggers had gesteld. Die rechtvaardigden volgens de aannemer een factuur van ruim € 42.000,-.
De vraag rees of die € 42.000,- door de aannemer bij de opdrachtgever in rekening kon worden gebracht. De opdrachtgever stelde van niet omdat hij niet tijdig was gewezen op de prijsverhoging voor de aan de raadliggers aan te brengen wijzigingen. De aannemer stelde daarentegen dat de opdrachtgever de noodzaak tot prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Daarbij verwees de aannemer naar een e-mail waarin de opdrachtgever schreef: “nu ik de definitieve tekeningen gezien heb snap ik wel dat jullie het voor het bedrag van € 9.000,- niet kunnen maken”.
De opdrachtgever verweerde zich toch tegen betaling van het meerwerk en voerde aan dat hij niet alleen de noodzaak tot een prijsverhoging moest begrijpen, maar dat hij ook een (reëel) inzicht zou moeten hebben in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten alvorens de aannemer de prijsverhoging in rekening zou mogen brengen.

Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad verwierp het standpunt van de opdrachtgever en overwoog daarbij dat de bescherming voor de opdrachtgever bij meerwerk niet zover gaat dat de opdrachtgever ook een (reëel) inzicht had moeten hebben in de omvang van de prijsverhoging dan wel in de concreet te verwachten meerkosten.
De Hoge Raad voegt daar aan toe dat zodra de opdrachtgever begrijpt dat een toevoeging of verandering in het overeengekomen werk tot een hogere prijs zal leiden, het aan de opdrachtgever is om aan de aannemer te vragen hoe groot de prijsverhoging precies zal zijn.

Conclusie
Kortom: meerwerk mag niet in rekening worden gebracht, tenzij:
1. de aannemer de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzakelijke prijsverhoging, of
2. de opdrachtgever de noodzakelijke prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen.
Het is niet noodzakelijk dat de opdrachtgever een (reëel) inzicht heeft in de omvang van de prijsverhoging dan wel in de (concreet) te verwachten meerkosten.
Deze uitspraak geeft meer houvast in discussies over meerwerk.

Mocht u nog meer willen weten over meerwerk of andere bouwrecht gerelateerde onderwerpen, dan kunt u mij benaderen op 024-381.66.60 of via vandermeeren@heijltjes.nl. Uiteraard staan ook mijn collega’s van Heijltjes advocaten voor u klaar.

Thijs van der Meeren

Gerelateerde artikelen

11 februari 2022
27 januari 2022
7 december 2021
7 december 2021